Ik verlaat het front.

13-02-2024

Mijn grootmoeder was gewend te vechten, zonder vuist in harde woorden. Mijn moeder zette haar strijd verder in diezelfde hardheid. Mijn vader knokte in zijn lijfspreuk survival of the fittest zoals ook zijn vader deed. Ik werd grootgebracht in argwaan voor de buitenwereld. Evengoed in mistrouwen voor een binnenwereld waar emoties al even onbetrouwbaar bleken. Ik werd voorbereid op slagen leveren in een rivaliserende wereld. Overtuigd van hun gelijk streed ik aan hun kant. Ik ging de wereld tegemoet vanuit hun kritisch oogpunt in een vergaande alertheid, zo werd worstelen mijn tweede natuur. Ik leerde vooral niet te sociaal zijn. Niet te emotioneel, wel rationeel want zie niet slim was werd neergehaald. Mijn aangeboren zachtzinnigheid werd ingeruild voor een harnas want wie niet sterk was, werd dan weer gesloopt. Ik belegerde hetzelfde front dat mijn voorouders hadden opgebouwd in tijden van nood als verzet tegen de afranselingen van het leven. Zo werd een lievelingsboek van mijn vader Mein kampf deels ons familieverhaal en ik kampte mee in een nalatenschap aan mannenhaat aan moederskant en mensennijd in vaderslijn. Een erfenis aan trauma zou het overlevingsgevecht generaties verder aanhouden.

Het wil nu stoppen bij mij, het wil zich oplossen in mij.

"Ik hou stand," was ik vanuit mijn uitkijktoren gewend te zeggen terwijl mijn rusteloze geest als een gestoorde vogel voor het minste weer opvloog voor onheil als brandpunt in mijn haviksogen. De afmatting van een loodzwaar pantser, de inspanning van een nauwlettend brein, het verdriet van een terughoudend hart brak me uiteindelijk. Ik verbrijzelde door beslommeringen om al het riskante terwijl mijn ingeschapen levenslust tussen de spleten en kieren van mijn gebarsten inborst langzaam wegvloeide. Mijn lichaam deed zeer in al haar gespannenheid. Al wat van me overbleef was een kapot lijf met vertroebelde ogen die enkel nog naar het plafond konden staren. Weken heb ik als starende gelegen vooraleer ik eindelijk kon beseffen dat mijn hoofd moe gevochten was. Ik ben geen vechter. In mijn hart ben ik nooit een vechter geweest. Mijn lijf is zacht, mijn gedachte vertrouwend, mijn hart onbedekt. Zo ben ik geboren. Ik wil niet anders zijn. Nog met één wankel been en het ander dat aan kracht wint, berg ik mijn kamp op in het fort van mijn voorouders. Ver weg van het slagveld stop ik met bekvechten, krakelen, kribben, stechelen, strijden. Mijn worstelend brein treedt eindelijk af en met dat ontslag stopt de oorlogsvoering tegen een schijnbaar boze wereld.

Mijn oorlog is voorbij. Het gevecht van mijn voorouders, is niet langer meer mijn gevecht.

Je bent een paradijsvogel, herhaalde onlangs mijn vriend. Ik ben een kleurrijke paradijsvogel die zich voedt met zoetsappige levensvruchten in een levenslustig gefladder met een veertooi kleurrijk als exotische bloemen. Paradijsvogels wonen niet muf en somber, ze blijven niet verstijfd van schrik in de schaduw zitten en dragen al zeker geen maliënkolder. Paradijsvogels vliegen hoog en laten zich graag van hun kleurrijke kant zien. Ik heb het Arendsnest ingeruild voor nest aangekleed met een overvloed aan knusheid die vriendelijk oogt voor het leven, met al evenveel vriendelijkheid het leven aankijkt. In dat nest pluk ik iedere ochtend de granaatscherven uit mijn oude wonden. Ik lijm veer bij veer mezelf terug aan elkaar met mildheid. Zodat ik op de middag kan uitvliegen. Heel en zacht.

Mijn ouders, die vechten nog steeds. Mijn moeder tegen mannen. Mijn vader tegen de wereld. Alcohol brengt hem soelaas. Dat deed het ook voor mijn grootvaders. Sedativa houden haar overeind. Hun onophoudelijke strijd verdriet me. Ik heb het leren aanzien met steeds meer begrip en compassie. In stille hoop dat ze troost vinden bij het geruststellende vooruitzicht dat dit eeuwen slepend leed voor een aanzienlijk deel stopt bij mij. Dat hun kleinkinderen al beter ontspannen in een wereld die verre van slecht is, mannen verre van fout, mensen verre van stout. Een wereld waar het grotendeels fijn vertoeven is. Zelfs voor gevoelige vogels. 


Mademoiselle Marteaux